17 nov 2015 10:51

Monitoring volgens origine bevestigt grote verschillen op de Belgische arbeidsmarkt - Complexe oorzaken, grote gevolgen

Het nieuwe rapport “Socio-Economische Monitoring – Arbeidsmarkt en Origine” wijst er andermaal op dat de achterstand van personen van vreemde origine op de arbeidsmarkt in geen enkel ander EU-land zo groot is als in België. In lijn met de analyse die eerder door de OESO en de Europese Commissie werd gemaakt, wordt er gewezen op een complex geheel van oorzaken. Naast arbeidsmarktdiscriminatie komen ook de ongelijke onderwijskansen, de migratiegeschiedenis en de slechte werking van de arbeidsmarkt in het algemeen aan bod : groepen zoals laaggeschoolden, jongeren en ouderen hebben het moeilijk om aan een baan te geraken, en personen van vreemde origine worden vaak met dezelfde drempels geconfronteerd. Het rapport pleit dan ook voor een eenvoudiger toegang tot de arbeidsmarkt en een grotere professionele mobiliteit, voor maatregelen om vroegtijdig schoolverlaten en een al te snelle oriëntering in het onderwijs te vermijden en voor een verdere versterking van het antidiscriminatiebeleid.

De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en het Interfederaal Gelijkekansencentrum stellen vandaag de tweede uitgave van het rapport “Socio-Economische Monitoring – Arbeidsmarkt en Origine” voor. Het rapport, gebaseerd op administratieve gegevens voor de volledige bevolking, bevestigt de achterstandspositie van personen van vreemde origine, al evolueerde de situatie ondanks de crisisjaren in gunstige zin.

Het rapport, waarvan de eerste uitgave in 2013 verscheen, werd samengesteld op basis van gegevens uit de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid. Daardoor kan de volledige bevolking in kaart worden gebracht. Op die manier wordt voor elkeen een origine gedefinieerd, en ook de migratieachtergrond (verblijfsduur, verwerving van de nationaliteit…) wordt geïdentificeerd. Vervolgens wordt een gedetailleerde analyse van de arbeidsmarkt doorgevoerd, waarna enkel nog gemiddelden in beeld worden gebracht. Zo wordt de bescherming van de privacy maximaal gewaarborgd.

In het rapport wordt de periode 2008-2012 beschreven. De achterstandspositie van personen van vreemde origine bleef zorgwekkend. Van de personen van Belgische origine had 73,3% in 2012 een baan, tegenover 42,7% van de personen van Maghrebijnse origine en 45,0% van de personen met een origine in de kandidaat-EU-Lidstaten (vooral Turkije). De werkgelegenheidsgraad voor personen met een origine in Sub-Sahara-Afrika (39,6%) of in niet-EU-Europa (39,0%) lag nog lager. De verschillen tussen personen van vreemde origine situeren zich overigens niet enkel op het niveau van de werkgelegenheid : die verbergen grote achterliggende verschillen op het vlak van arbeidsmarktpositie. Verschillende groepen concentreren zich in verschillende sectoren en verschillende statuten, wat in het rapport uitgebreid aan bod komt.

Bouw en dienstencheques trekken Oost-Europese werknemers aan

Opmerkelijk is dat de werkgelegenheid van personen van Belgische origine tussen 2008 en 2012 daalde (-0,5 procentpunten) terwijl die van zowat alle andere originegroepen steeg. Volgens het rapport wijst deze evolutie erop dat nogal wat personen van vreemde origine aan de slag gaan in het meer dynamische maar vaak ook het meer onzekere segment van de arbeidsmarkt. Zo nam deeltijdwerk toe, en gingen ook heel wat personen van vreemde origine als zelfstandige aan de slag. De segmenten van de arbeidsmarkt waarin personen van Belgische origine sterker vertegenwoordigd zijn –beter betaalde banen, met een goede bescherming, in een bediendenstatuut…– leden daarentegen sterker onder de crisis. Zo trof het banenverlies in de industrie in verhouding veel sterker de personen van Belgische origine.

Het meest opvallend is de stijging van de werkgelegenheid bij personen met een origine in de (vooral Oost-Europese) landen die vanaf 2004 de EU vervoegden : hun werkgelegenheid steeg met 5 procentpunten (voor vrouwen uit deze groep zelfs met 8,6 procentpunten). Dat heel wat nieuwe migranten uit deze groepen hun weg vonden naar ons land en vervolgens werk vonden in de bouwsector en in de dienstencheques is aan deze evolutie niet vreemd.

Verschil man/vrouw neemt af

Overigens nam het genderverschil in alle originegroepen verder af, met een opmerkelijke daling van 3,1 procentpunten van de achterstand voor de vrouwen uit kandidaat-EU-landen. Ook in de werkloosheid daalde het genderverschil sterk. Het totale niveau van de werkloosheid blijft wel uitzonderlijk problematisch voor personen van vreemde origine : zo was bijvoorbeeld 25,5% van de personen van Maghrebijnse origine in 2012 werkloos, tegenover slechts 5,9% van de personen van Belgische origine. Daarbij kunnen ook grote regionale verschillen worden vastgesteld, al namen ook die iets af.

Uit het rapport blijkt ook dat steunmaatregelen wel degelijk bijdragen aan de arbeidsmarktintegratie van personen van vreemde origine. Zo blijken maatregelen als de bijdrageverminderingen voor langdurig werklozen en zeker deze voor de eerste aanwerving door kleine ondernemingen hen meer dan proportioneel ten goede te komen.

Wat de inactieven betreft, geven de cijfers aan dat jongeren van vreemde origine hun studieduur gemiddeld wat verlengden (wat blijkt uit het feit dat ze langer van kinderbijslag genoten). Een meer gedetailleerde analyse van de andere inactiviteitsstatuten toont aan dat de sterke oververtegenwoordiging van personen van Belgische origine in het brugpensioen/SWT (stelsel werkloosheid met bedrijfstoeslag) verder toenam. Het aandeel van leefloongerechtigden bleef voor de meeste originegroepen eerder stabiel, ondanks de crisis.

Complexe oorzaken, grote gevolgen

Het rapport wijst er andermaal op dat de achterstand van personen van vreemde origine op de arbeidsmarkt in geen enkel ander EU-land zo groot is als in België. In lijn met de analyse die eerder door de OESO en de Europese Commissie werd gemaakt, wordt er gewezen op een complex geheel van oorzaken. Naast arbeidsmarktdiscriminatie komen ook de ongelijke onderwijskansen, de migratiegeschiedenis en de slechte werking van de arbeidsmarkt in het algemeen aan bod : groepen zoals laaggeschoolden, jongeren en ouderen hebben het moeilijk om aan een baan te geraken, en personen van vreemde origine worden vaak met dezelfde drempels geconfronteerd. Het rapport pleit dan ook voor een eenvoudiger toegang tot de arbeidsmarkt en een grotere professionele mobiliteit, voor maatregelen om vroegtijdig schoolverlaten en een al te snelle oriëntering in het onderwijs te vermijden en voor een verdere versterking van het antidiscriminatiebeleid.

Het volledige rapport kan samen met gedetailleerde bijkomende cijfergegevens in het Nederlands en het Frans worden teruggevonden op de website van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

 

Contact :

Tom BEVERS
FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg
02 233 46 69
Tom.BEVERS@werk.belgie.be