Wanneer de berekening van 1984 eenvoudig opnieuw gedaan wordt, moeten de coëfficiënten alvast aangepast worden naar 0,7919 voor de eerste inkomensschijf en naar 0,7676 voor de tweede inkomensschijf. Dit komt omdat de bijdrageniveaus van werknemers en zelfstandigen doorheen de tijd naar elkaar zijn toe geëvolueerd.
Een eenvoudige actualisatie van de berekening van 1984 geeft vandaag echter geen volledig beeld van de bijdrage-inspanning van werknemers en zelfstandigen. Immers, in die berekening wordt enkel rekening gehouden met de wettelijke maar er moet ook rekening gehouden worden met de reële bijdragedruk en met de werkzaamheidsgraad in beide stelsels.
- Zelfstandigen betalen een sociale bijdrage van 20,5% op hun inkomen, terwijl voor een werknemer over het algemeen een werkgeversbijdrage van 25% en een persoonlijke bijdrage van 13,07% wordt betaald. De bijdragen bij de werknemers dienen echter om een veel uitgebreider stelsel van sociale zekerheid te financieren, terwijl de pensioenen voor zelfstandigen meer dan de helft van de begroting uitmaken. Louter deze percentages in aanmerkingen nemen, geeft dus een vertekend beeld.
- Bij de werknemers bestaan bovendien verschillende vormen van bijdrageverminderingen, terwijl zelfstandigen met een laag inkomen vaak meer dan 20,5% betalen omdat hun bijdragen berekend worden op een minimuminkomen.
- Tot slot kent het werknemersstelsel heel wat gelijkgestelde periodes. Ongeveer een derde van de pensioenloopbaan van een werknemer bestaat uit periodes waarin niet wordt gewerkt en dus geen bijdragen worden betaald, terwijl er wel pensioenrechten worden opgebouwd. Bij de zelfstandigen daarentegen ligt het aandeel van de gelijkgestelde periodes veel lager, namelijk rond de 4%. Omdat een zelfstandige gemiddeld een langere actieve loopbaan heeft, betaalt hij in reële termen dus vaak meer sociale bijdragen dan een werknemer.
Als met deze 3 invalshoeken rekening wordt gehouden, moeten de correctiecoëfficiënten op één worden gezet (d.w.z. afgeschaft) om zelfstandigen een pensioen te bezorgen in overeenstemming is met de bijdragen die zij betalen. Het ABC pleit er dan ook voor om dit zo snel als mogelijk te doen voor toekomstige loopbaanjaren. In bijkomende orde kan worden nagegaan in welke mate het mogelijk is om ook loopbaanjaren uit het verleden te verbeteren.
Voor een zelfstandige met een inkomen van 30.000 EUR, zou een afschaffing van de correctiecoëfficiënten voor één loopbaanjaar ongeveer 127,35 EUR aan bijkomende pensioenrechten op jaarbasis opleveren. Toegepast op een loopbaan van 40 jaar geeft dit een verhoging van het pensioen op jaarbasis met 5.094 EUR, ofwel een verhoging per maand met 424,50 EUR.
Voor een zelfstandige met een jaarinkomen van 58.513,59 EUR levert de afschaffing van de correctiecoëfficiënten voor één loopbaanjaren 260,43 EUR op. Toegepast op een loopbaan van 40 jaar geeft dit een verhoging van het pensioen op jaarbasis met 10.417,2 EUR, ofwel een verhoging per maand met 868,10 EUR.
Op die manier zal het proportioneel pensioen voor zelfstandigen (en dus ook het maximum) evolueren naar het niveau dat vandaag van toepassing is in het werknemersstelsel.
De kostprijs van deze maatregel zou evolueren doorheen de tijd en in 2040 op 274 mio EUR komen. Het sociaal statuut van de zelfstandigen sluit echter jaarlijks af met een structureel begrotingsoverschot dat tot die tijd kan dienen om de afschaffing van de correctiecoëfficiënt te financieren.
Lees het uitgebreid advies van het ABC op de website van het RSVZ.
EINDE PERSBERICHT
Boilerplate
Het ABC is het formele overlegorgaan voor dossiers die het sociaal statuut van de zelfstandigen aanbelangen. Het brengt adviezen en verslagen uit op vraag van de bevoegde minister of op eigen initiatief. Het Comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van representatieve zelfstandigenorganisaties, kabinetten, sociale verzekeringsfondsen en de administratie.
https://www.rsvz.be/nl/algemeen-beheerscomite-abc
Noot voor de redactie:
Contactgegevens:
caroline.deiteren@unizo.be (NL), 0474 36 17 04
renaud.francart@ucm.be (FR), 0476 51 26 63