De Europese armoede-indicator (AROPE) is gebaseerd op de EU- SILC-enquête. Die peilt naar de inkomens en levensomstandigheden. De indicator evolueert naarmate:
- er meer of minder mensen zijn die een huishoudinkomen hebben dat onder de armoededrempel ligt (‘armoederisico’ of ‘AROP’)
- er meer of minder huishoudens zijn waar bijna niemand werkt (‘quasi-jobloze huishoudens’ of ‘QJH’)
- er meer of minder mensen zijn die essentiële dagelijkse benodigdheden niet kunnen betalen (‘ernstige materiële en sociale deprivatie’ of ‘SMSD’).
Om het verlaagde aantal personen met een risico op armoede of sociale uitsluiting te behouden en verdere vooruitgang te boeken, kan België inzetten op één of meerdere van deze elementen: het gezinsinkomen versterken, het aandeel gezinnen waar bijna niemand werkt verminderen en/of de koopkracht versterken, zodat mensen noodzakelijke goederen en diensten kunnen aanschaffen.
Hoe de Belgische armoedesituatie zich in de toekomst zal ontwikkelen, hangt af van de mate waarin de maatregelen die de regering voorziet een impact hebben op de drie indicatoren. Een brede, multidimensionale aanpak blijft essentieel, zeker voor huishoudens die met meerdere overlappende risico’s worden geconfronteerd. Het is in dat kader van cruciaal belang om oog te hebben voor de complexiteit van de armoedeproblematiek en het investeringskarakter van sociaal beleid.
[1] De armoedecijfers kennen altijd enige vertraging. De EU-SILC peilt namelijk naar inkomens uit het vorige jaar: zo verwijst EU‑SILC 2025 naar de inkomenssituatie van 2024.